Ga naar de inhoud

'Elke dag was een beetje erger dan de dag ervoor'

10 juni 2018 Leestijd:

Speech door staatssecretaris Blokhuis bij de herdenking van de kindertransporten in Kamp Vught

75 jaar geleden moesten bijna 1300 Joodse kinderen vanuit kamp Vught mee met de beruchte kindertransporten. De Duitsers deden alsof ze naar een speciaal kinderkamp werden gebracht. Maar in werkelijkheid gingen de kinderen en hun ouders via kamp Westerbork naar vernietigingskamp Sobibor, waar ze direct na aankomst werden vermoord. Vandaag was de 75e herdenking van deze kindertransporten. Staatssecretaris Paul Blokhuis was erbij aanwezig en sprak in Nationaal Monument Kamp Vught.
 

'Als we de wind op voelen steken,

Koelere lucht door de kieren van het raam waait,

We aan alles voelen dat het weer om gaat slaan,

Dan denken we vaak: misschien waait het wel over.

En als de eerste druppels beginnen te vallen, hopen we dat het erger dan dat niet wordt.

Toen de Joodse bevolking van Nederland in mei 1940 de Duitse troepen het land zag binnentrekken, dachten ze misschien hetzelfde: “Misschien waait het wel over.”

“Misschien nemen ze alleen de macht over.”

“Erger dan dit zal het wel niet worden.”

Maar al vrij snel na het begin van de bezetting moesten mensen zich registreren als Jood, terwijl ze voor 1940 nog gewoon Nederlander waren.

Mochten ze bijna nergens meer werken.

Mochten Joodse kinderen niet meer naar hun eigen schooltje, niet meer spelen in het park, niet meer naar het poppentheater, en zelfs niet meer naar niet-Joodse winkels.

Gaandeweg verdwenen steeds meer Joodse mensen uit de straten, probeerden te ontkomen naar Zwitserland, doken onder, of werden opgepakt tijdens een razzia. In de eerste maanden van 1943 vertrok transport na transport naar Kamp Vught. Naar hier. Onder hen waren de ouders van Lotte Blein, van Elly van Praag, van Koos Valk, de ouders van al die kinderen, die baby’s en die pubers die we hier vandaag herdenken.

De negenjarige Koos Valk had zijn emmer en schepje meegenomen naar Kamp Vught. Volgens een tante kon je er heerlijk in het zand spelen. Het zou er vast allemaal wel meevallen.

Maar in Kamp Vught was elke dag een beetje erger dan de dag ervoor. Er was gebrek aan alles. Aan luiers voor de kleintjes, aan slaapplaatsen, aan eten, aan medicijnen. Volstrekt gezonde kinderen stierven soms al binnen een week aan de ontberingen. Zonder hun ouders. Zonder iemand die een natte washand op hun koortsige bolletje legde. Zonder iemand die ze het gevoel gaf veilig en geliefd te zijn.

Begin juni 1943 zong de geruchtenmachine door de barakken. Alle kinderen zouden het kamp uitmoeten.

‘Dit kan niet waar zijn’ dachten de mensen.

Maar op 6 juni brak de inktzwarte hemel open en viel de regen met dikke, dikke druppels uit de lucht. Verzwakte moeders hezen hun huilende kroost op de heup, pakten ze de kleintjes bij de hand en liepen de vijf kilometer naar het station – opgejaagd door blaffende en bijtende honden. Een eindeloze, hartverscheurende stoet van verslagen vrouwen, van uitgemergelde kinderen. Alleen om wie ze waren, zagen de mensen het leven door hun vingers zagen glippen. Tot alles wat ze over hadden het restje hoop was, dat het nu toch écht niet erger kon worden.

De transporten die hier op 6 en 7 juni in de stromende regen vertrokken, gingen naar Westerbork. Van daar reden de treinen met 3014 mensen, moeders, vaders, en bijna 1300 kinderen, sommigen nog een zuigeling. Ze vertrokken naar Sobibor. Naar een kamp dat eigenlijk geen kamp was. In totaal werden in Sobibor meer dan 150 duizend mensen rechtstreeks de gaskamers in gestuurd.

Elk iemands dochter, elk iemands zoon.

Van de bijna 1300 kinderen die hier 75 jaar geleden door blaffende honden en norse SS’ers de trein in gejaagd werden, overleefde niemand het. Het leven van al die kinderen werd nog voor het goed begonnen was, in de kiem gesmoord.
 

Vaak, als we het over de oorlog hebben, zoeken we naar een boodschap van hoop.

Een lichtstraal die door alle ellende heen schijnt.

Iemand die opstond tegen de verdrukking van onbekenden.

Een hongerige gevangene die zijn gestolen brood deelde met zijn al even hongerige barakgenoten.

En na de oorlog, een overlevende die zich zijn leven lang heeft ingezet om te voorkomen dat mensen elkaar dit ooit nog aan doen.

Die verhalen leren ons dat op elke ruïne, hoe dof en verkruimeld ook, prachtige bloemen kunnen bloeien.

Ook op de spreekwoordelijke ruïnes van kamp Vught, van de Tweede Wereldoorlog, bloeien bijzondere bloemen. Er zijn kinderen die kamp Vught hebben overleefd. Er zijn kinderen die andere kampen hebben overleefd. Bill Minco was zeventien toen hij levenslang kreeg voor zijn rol in het Rotterdams Geuzenverzet. Vier jaar lang overleefde hij tuchthuizen, en kampen als Mauthaussen, Auschwitz en Dachau. Door een uitgestoken hand van een andere gevangene, de dodenlijst waar hij keer op keer van af gehaald werd, een groep Rotterdammers die in Auschwitz naar elkaar omkeek.

En Loek van Mourik werd als geboren als Loekie de Vries. Hij was nog geen anderhalf toen hij met zijn moeder en zijn half-zusjes tijdens een razzia werden opgepakt. Dankzij het verzet kwam Loek terecht in een pleeggezin, met niets meer dan een naam die hem verbond aan zijn identiteit. Ontworteld en onthecht groeide hij op, slechts een steenworp hier vandaan. Werd hij groot op een plek waar zijn moeder en zusjes 75 jaar geleden met het kindertransport werden weggevoerd, al weet hij dat pas sinds kort zeker.

En ook hier, in dit kamp ontsprong een aantal kinderen de dans. Doordat ze nét zestien waren geworden. Zich hadden verstopt in de chaos voorafgaand aan het transport. Doordat ze werk verrichten in het Philips-commando. Doordat de muntjes op het juiste moment, de juiste kant opvielen. Toeval?

Ernst Verduin, die hier vandaag aanwezig is, kwam hier met vader, moeder en zus aan. Vorige week vertelde hij me dat hij ontkwam aan het kindertransport. Was het omdat hij te ziek was om vervoerd te worden? Omdat zijn moeder barakleidster was? Of omdat hij bijna zestien was?

Hoe dan ook: na Vught volgde Auschwitz. Daarna Buchenwald. Wat Ernst in de kampen meemaakte, is nooit ver weg geweest, maar als je hem spreekt, sprankelt het levenslicht je tegemoet.

En Koos Valk, de jongen die met zijn emmer en schepje het kamp binnenkwam, overleefde samen met zijn ouders en al zijn broertjes en zusjes de oorlog. Bill Minco keerde in de zomer van 1945 terug naar Nederland. Hij had de oorlog overleefd, maar moest opnieuw leren leven, schreef hij jaren later. En toch hebben Koos en Bill – net als andere overlevenden – over de oorlog verteld. Hebben ze laten zien dat ze de hoop nooit kwijtraakten, hoe gebutst en gehavend ze zich ook door het leven hebben geworsteld.

De hoop dat ze konden helpen dit nooit meer te laten gebeuren.

Door te geloven dat hun verhalen het belangrijkste middel zijn om te voorkomen dat haat ooit weer de overhand krijgt.

En door, en ik citeer nu Bill Minco: te "blijven geloven dat er voldoende mensen, vooral jongeren, zullen zijn die van binnenuit het goede zullen willen nastreven.

Want dan is alles toch niet voor niets geweest", zo schreef hij.

Dank u wel.'